Logo

Splendid Elsie

Interview, verschenen in Vara Magazine

Elsie de Brauw is een veelgelauwerde actrice. Voor de vrouwelijke hoofdrol in Mijke de Jongs film ‘Tussenstand’ ontving ze  een Gouden Kalf. Dit na twee keer te zijn genomineerd voor de hoogste theateronderscheiding voor actrices, de Theo d’Or. Een voor “Zus van”, een monoloog van Lot Vekemans en een ander voor de rol van Jeanne in Hugo Claus’ “Vrijdag”.

De Theo d’Or kreeg ze daadwerkelijk in handen voor de rol van Myrtle in “Opening Night”, Ivo van Hoves toneeladaptatie van de gelijknamige jarenzeventigverfilming van John Cassavetes, een bewerking van het toneelstuk ‘De tweede vrouw’. (wie deze zin niet direct heeft begrepen, lezen hem nog eens over).

En  op 3 september  zal “Opening Night” – als toneelstuk over een toneelstuk – het licht zien op de televisie.

Over De Brauws buitenlandse successen hoor en lees je weinig. Terwijl ze ook daar tal van         onderscheidingen in de wacht heeft gesleept. Zodra de gastvrije actrice haar hielen heeft gelicht om een kopje koffie te halen, kijk ik rond in haar gigantische, Gentse benedenhuis, ooit een weverij. Op een plank staan tal van trofeëen, uit Rusland, Las Palmas en Locarno, bescheiden weggemoffeld. Wel legt ze, eenmaal terug met de koffie, de recensie van ‘Opening Night’ in The New York Times van 2008 eigenhandig voor me neer, weliswaar met een lichte blos, maar na niet echt lang aandringen: ‘In New York was het natuurlijk echt spannend, omdat dat de stad is van Gena Rowlands.’ (hoofdrolspeelster in de film, AO)

Mijn geoefend oog pikt de hamzin er onmiddellijk uit : ‘The splendid Elsie de Brauw in a role originated by the splendid Gena Rowlands.’

Volgend jaar gaat “Opening Night” naar Dublin en binnenkort vliegt het gezelschap naar Australië.

-Je bent wereldberoemd!

‘Ach, het is allemaal op uitnodiging. Pas echt beroemd heb ik me  laatst gevoeld. In Salzburg bij de Festspiele waar ik “Angst” speelde, een stuk naar een novelle van Stefan Zweig. Het circus dat zich daar aan je voltrekt! De handtekeningen bij de artiestenuitgang, de fotografen.  Bij het bedanken moest ik, omdat ik de hoofdrol speelde, apart buigen en ging er een gejoel op. Dat kennen wij hier helemaal niet.’

Een niet te verwaarlozen detail: worden de buitenlandse opvoeringen van “Opening night” nog lafhartig  opgevoerd  in onze moedertaal (met boventitels), De Brauw vertolkt  ”Angst” in het Duits.

‘En dan ook nog in het jarentwintig- Duits van Stefan Zweig! Met oude genitieven en zo!’

Hoe krijgt zij zo’n tekst,  in haar –door een rode lokkenpracht omlijste – kopje?

-Stampen. Met een coach die me overhoort en corrigeert. Maar vóór zoiets er in zit! Want je kunt in het Duits niet improviseren, niet ontsnappen. Je hebt nog geen gevoel in zo’n taal. Aan Nederlandse woorden bewaar je een fysieke herinnering.  Als je “tafel” zegt, denk je aan alle tafels –heel snel – die je in je leven hebt aangeraakt, maar “Tisch” is nog niks. Al die woorden zijn nog een beetje Fremdkörper. Maar in Salzburg vonden ze dat juist weer mooi. Het schept een soort afstand tot de taal.’

-En je accent…

‘… werd charmant gevonden. Als ik vroeg of ik een  interview in het Engels of het Duits zou doen, zeiden ze: ‘in het Duits. So süss!’ Binnenkort ga ik er mee naar München.’

-Terzake: “Opening night”. De charme van die voorstelling is dat ‘gewoon’ toneelspel, van gepaste afstand, wordt gelardeerd met video-close-ups. Hoe is dat opgelost voor televisie?

‘Dat weet ik niet. Natuurlijk heb ik ook gevraagd hoe ze dat gingen doen. Want deze “Opening Night” is  een televisiebewerking van een toneelstuk van een film over een toneelstuk!  Dus moet je er dramaturgisch goed over nadenken hoe je dat wil doen. Het is opgenomen met zes camera’s. Maar daar heb ik me niets van aangetrokken.’

-Heb je gewoon gespeeld wat je altijd speelde?

‘Ja, de cameraploeg moest juist zo onopvallend mogelijk aanwezig zijn. En daar waren wij al aan gewend door die videocamera’s op het toneel. Op de repetities mocht het meisje dat ons filmde van Ivo van Hove alleen maar ‘documentair draaien’; hij wilde zo ruw mogelijk materiaal;  er móest juist, uitvergroot, een vinger langs een oor of een halve haar in beeld komen. Dus kregen wij geen aanwijzingen in de trant van: ‘pas op, je gaat over de as,’ of ‘dek elkaar niet af’. Daarom heb ik geen idée! Ik wist niet eens welke camera van ons was of van de televisie. Maar misschien dat Peter de Baan er  gepolijste televisie van heeft gemaakt… Twee weken daarvoor hadden we “Gif” opgenomen (uitzending 17 september, AO), een voorstelling van NTGent met Steven van Watermeulen en mij, ook met zes camera’s. Maar in dat stuk zitten maar twee mensen. Het is een prachtig stuk, ook weer geschreven door Lot Vekemans. Steven en ik hebben deze voorstelling vorig jaar nog maar zes keer gespeeld. En volgend jaar gaan we ermee op tournee. Ik heb me afgevraagd of het wel verstandig is dat stuk nu al op de televisie te laten zien. Of je hebt het al gezien, vond het niks en gaat er niet naar toe óf je denkt:  daar hoef ik niet nog een keer naar toe, want ik heb het al gezien. Maar ik heb gehoord dat theaterbezoekers toch wel gaan en dat er blijkbaar een hele grote groep is die het alleen van de televisie moet hebben, die thuis niet weg kan, vanwege kinderen of wat dan ook.’

- Hoe vind je het: toneel op de televisie?

‘Ik heb de vorige registraties geen van allen gezien. Omdat ik in principe liever in de zaal zit. Liever  bevind ik me in dat magische moment, – als dat dan al plaats vindt – tussen acteurs en publiek dan dat ik thuis de band stil kan zetten, even kan doorspoelen, kan zappen. Dat is allemaal niet bevorderlijk voor de theatrale spanning. Het mooie van theater vind ik dat het zo vluchtig is, dat het op dát moment plaats vindt. Bij televisie is zo’n opname herhaalbaar.’

-Aan de andere kant is het verdrietig dat theater  zo vluchtig is.

‘Ik vind het juist wel mooi, dat circusachtige. Het is zoals die ene zoen, toen, op dat ene moment , toen je net.., met die zon.. Zo’n moment  onthou je altijd en maakt veel meer indruk dan iets dat je nog eens en nog eens kan zien. En vergeet niet de aanwezigheid van het publiek. Mensen zijn zich er niet van bewust hoe belangrijk publiek voor acteurs is. Dat is het enige waarom je gaat spelen: omdat er publiek zit. En daardoor wordt iedere avond anders.’

-Deze zomer was je te zien in de televisieserie “In therapie”. In werkelijkheid maak je een meisjesachtiger indruk.

‘Ja, ik moest veel ouder zijn dan Jakob, ( psychotherapeut Paul, AO)’

-Was je ouder geschminkt?

‘Nee hoor, ouder gedácht. Van Alain (de Levita, regisseur. AO) mocht ik heel weinig bewegen. Hij wilde dat ik stoïcijns bleef, een soort sfynx was. Ik zit er voor Paul die, zodra hij bij mij is, een ontzettende zeikerd wordt die alles verkeerd blijkt te hebben gedaan. Net zoals je in The Soprano’s tijdens de sessie bij die  vrouwelijke psychiater  –een gouden greep-  Tony Soprano’s andere kant ziet. Mijn rol is vooralsnog dienend. Iedereen in deze serie heeft zijn problemen, maar wat mij echt beweegt krijg je pas te zien in aflevering 35. Dan pas komt in een hele mooie scène de achterkant van dat mens aan bod.’

-Krijgen we dat volgend seizoen te zien?

‘Ik hoop dat ze het gaan opnemen… Leuk dat het zo’n succes is, die pratende hoofden. Als mensen langer dan drie minuten kijken, blíjven ze dat doen, heb ik gehoord. Zelfs mijn zonen (20 en 17) zijn er door geboeid, niet zozeer voor mij als wel voor het verhaal.’

- Gaan ze wel eens naar toneel?

‘De laatste tijd vaker. Toen ze klein waren stonden ze niet echt te springen om iets van mij te zien. Als ze al naar een voorstelling kwamen kijken, zeiden ze na afloop  ‘dat ze het heel erg warm hadden’ of ‘ontzettend naar de WC moesten’. En sommige dingen vinden ze genant, zoals “La Grande Bouffe’, vanwege dat naakt en die seks. Maar  “Gif” vonden ze allebei mooi.’

-Om weer terug te komen op  “Opening Night”, is Myrtle een favoriete rol?

‘Ja, maar niet moeilijk om te spelen. Iedereen om mij heen is een en al energie;  het enige wat ik moet doen is remmen. Myrtle ziet opeens in dat het een vreselijk rotstuk is en haar hoofdrol een heel vervelend personage. Ze stelt zich tegen iedereen teweer: haar tegenspeler, de schrijfster, regisseur. Ze moet –in die rol -geslagen worden, op de grond liggen, zich nederig opstellen, maar ze heeft geen zin in die slachtofferrol. En iedereen om haar heen zegt de hele tijd dat ze dat niet wil omdat ze bang is om ouder te worden. Maar zij vindt juist dat ze op een leeftijd is gekomen om ergens geen zin in te mogen hebben.’

-Hoe oud ben je zelf?

‘Vijftig.’

-Een mijlpaal?

‘Dat moet nog blijken. Ik ben het nog maar zo kort.’

-Ga je hier in Nederland weer het toneel op?

‘Ja, onder regie van Ivo van Hove. In oktober begint Toneelgroep Amsterdam aan een nieuwe voorstelling, weer samen met NTGent: “Kinderen van de zon” van Gorki. Ik werk graag met Ivo; vanaf de eerste dag ging het  vanzelf;  ik ging altijd fluitend naar de repetities.’

-En met je man, Johan Simons?

‘Dat is ingewikkelder. Ik accepteer zijn autoriteit niet zomaar. En dan is alles een discussiepunt. Maar hij heeft mij wel de mooiste dingen laten spelen. “Gif” is ook door hem geregisseerd. Daarin kwamen heel veel dingen samen. Lot Vekemans heeft het voor ons geschreven. Op mijn instigatie; het stuk behandelt dingen waarover ik het wilde hebben. En daar is Johan in meegegaan.’

-Dus ditmaal had je geen last van die autoriteit?

‘Nee, en binnenkort helemaal niet meer. Want hij gaat in zijn hoedanigheid van regisseur en intendant van de Münchner Kammerspiele een tijd in München wonen. Privé vind ik het niet echt leuk dat hij gaat. We zijn drieeëntwintig jaar getrouwd. Maar zijn professionele keuze begrijp ik totaal. En ik ga volgend jaar, zodra mijn jongste zoon het huis uit is, terug naar Nederland. Naar mijn huis in de Betuwe. Daar voel ik me heerlijk. Maar ik zal ook veel in München zijn en spelen.’

-Je komt uit een adellijke advocatenfamilie. Hoe vonden ze het thuis in Den Haag: een dochter aan het toneel?

‘Ik ben een heel erg nakomertje. Het kon niemand wat schelen. Als ik maar van de straat bleef.  Mijn moeder was al heel oud en mijn vader is gestorven toen ik  vijftien was. Een autoongeluk….Ja, verschrikkelijk. Maar we zijn een grote, hechte familie. Dat compenseert veel.’

-Denk je nog vaak aan je vader?

‘Ja, hij is altijd in de buurt. Ik zet hem altijd wel ergens neer terwijl ik speel.’


Comments RSS You can leave a response, or trackback from your own site.


Reageer