Logo

Kleinzoon

Verschenen in de Volkskrant, oktober 2013

Niets zo welkom als een tweeëneenhalfjarig handje; een oma-hand is gauw gevuld. Nog maar nauwelijks sta ik op Mallorca of mijn kleinzoon verblijdt me met dit poezelige bewijsje van aanhankelijkheid. Dan troont hij me mee naar zijn speelhoek . Ik ben subiet vergeten dat ik in het vliegtuig heb gelezen dat de aantrekkelijke filmacteur Javier Bardem op dit moment ook op het eiland bivakkeert. Zonder Melanie.

Jaargetijde: herfst. Lokatie: het terras van mijn voormalige buitenhuis waarin tegenwoordig mijn oudste zoon heer en meester is. Ik heb het gezin een tijdje niet gezien en vreesde even dat mijn kleinzoon me niet zou herkennen of liever, juist wel en dat hij bij onze eerste confrontatie met een van walging vertrokken gezichtje ‘No, no!’ zou roepen, zoals tijdens mijn vorige bezoeken. Weliswaar kon er zo nu en dan een onverhoeds konijnentandenlachje af, maar meer dan eens hapten die tandjes naar de oma-hand of spuugde dat welgevormde mondje vijandige spettertjes mijn richting uit.

Toegegeven, tweejarigen bijten wel vaker van zich af, roepen wel vaker nee. Zeker tegen een grootmoeder die ze niet geregeld zien. Deze zomer zelfs  -tot mijn opluchting-  tegen de abuela van moederskant die beduidend dichterbij woont. Ook zij was even uit het veld geslagen, maar ook zij had (in het Spaans) gehoord van het verschijnsel ‘peuterpuberteit’, van equivalenten van ‘terrible two’ en van ‘ik ben twee, dus ik zeg nee’.

Arme kleintjes. Worden zich bewust van hun eigen aanwezigheid op aarde en dat willen ze weten. Wat ze vooral willen: dat hun omgeving het weet. Maar ‘ach, mevrouw,’ in gedachten hoor ik het lichte, bezwerend lacherige stemmetje van een nog niet zo lang afgestudeerde kinderpsychologe: ‘Wat er op deze leeftijd niet allemaal op ze afkomt, hè. Zo’n buitenwereld kan onwijs bedreigend zijn, hoor. Ze verkennen hun grenzen, zoeken een eigen identiteit, hè. Al die boosheid komt voort uit machteloosheid, omdat ze zich verbaal niet kunnen uiten. Heus, het gaat over, is maar een fase.’

Hoe vaak ik me afgelopen zomer hiervan geen rekenschap heb gegeven. Natuurlijk gaat alles over. Mijn kleinzoon zal zich van deze onfortuinlijke fase in zijn jonge leven later geen klap meer herinneren. En ook oma is het zo vergeten. Dus zou zij wel gek zijn zich door zo’n peulenbroek uit het veld te laten slaan, zich pruilend in haar logeerkamer te verschansen, alles op zichzelf te betrekken.

Maar relativeren is lastig zodra liefde in het geding is, redeloze liefde die door de genen raast: apenliefde. Was mijn kleinzoon zomaar een jongetje geweest, ik zou korte metten met hem hebben gemaakt. Ik zou zijn ‘no’s!’ hebben genegeerd, dat woedende gezichtje gezoend en hem lachend bij zijn tegenstribbelende lurfjes hebben gepakt. Maar hoe ik me deze zomer ook met een heldhaftige grijns in genereuze bochten wrong, het was alsof ieder gevoel voor humor me had verlaten. In mijn kleinzoons oogjes zag ik een vervelend wijf weerspiegeld, een saaie oma aan wie niets viel te beleven, die zich geen houding wist te geven, verlamd  door verliefdheid als ik was.

Maar nu lacht hij, inmiddels wéken ouder, me allercharmantst toe en noemt hij me zowaar (na herhaaldelijk voorzeggen van zijn ouders) Oma, een hele prestatie als je gewend bent aan het heel wat gemakkelijker bekkende abuela of abuelita.

Gek van gevleidheid buig ik me over zijn schatten, verspreid over de vloer. Met een  dwingend handje trekt hij me ernaartoe, zoals veertig jaar geleden zijn vader deed. Jongensspeelgoed, bestaat er iets vervelenders?  Toch, als op dit moment Xavier Bardem plotseling op dit terras stond: ‘Holá…’ (in zwembroek want opgedoken uit een naburig zwembad), ik zou nauwelijks opkijken: ‘Sorry, señor, maar ziet u niet dat ik met mijn kleinzoon zit te spelen?’


Comments RSS You can leave a response, or trackback from your own site.


Reageer