Logo

Hoedje

Verschenen in de Volkskrant, februari 2014

Bij de tandarts neem ik mijn toevlucht tot een NRC  next van enige tijd geleden. Al bladerend stuit ik op een alleraanbiddelijkste foto: een close-up van een spits hondenkopje met één schrander oog en één –hangoor, want en profil gefotografeerd. Het beest lijkt sprekend op het hondje uit mijn jeugd: alert, langharig en – moeiteloos kleur ik de zwart-witfoto in – eekhoorntjesbruin.

Eek en ik woonden bij hetzelfde pleeggezin. Vaak hechten –honden zich aan de jongste in huis, dus trippelde hij overal met me mee naartoe. Naar het hazenwater waarin ‘s zomers werd –gezwommen en waarop ‘s winters werd geschaatst, op houtsprokkeltocht door het bos en langs de weg binnendoor naar het dorpsschooltje.

Was het erg koud, dan mocht hij van de meester mee naar binnen. Oogknipperend en de vloer aanschuierend met zijn staart vlijde hij zich bij de potkachel en bleef liggen tot de lessen waren afgelopen.

Later toen ik naar een andere, ‘betere’ school in de naburige stad moest, bracht hij me ‘s ochtends naar de bus om ‘s middags weer op zijn post te staan. En was ik vanwege balletles een bus later, dan stond hij er ook, een en al kwispelstaart en oren op steeltjes. ‘Eek heeft een klok in zijn kop’, zei mijn pleegmoeder.

De tandarts laat op zich wachten. Ik wentel me nog even in mijn herinnering. En in retrospectief verdriet. Eek is niet oud geworden, zelfs niet als je zijn leeftijd met zeven vermenigvuldigt. Wij woonden aan een straat waar weinig auto’s reden. Maar als er een langs stoof! Ik heb het voor mijn neus zien gebeuren. En was even ontroostbaar als Dirkie in het liedje van Louis Davids.

Maar het hondje van de krantenfoto vrolijkt me op. Dankzij het hoedje dat zijn Braziliaanse bazen, staat eronder, hem hebben opgezet.

Meestal heb ik medelijden met verklede dieren. Nu niet. Misschien omdat het een strooien hoedje is. Luchtig, frivool, sexy.

In mijn hoofd weerklinkt een liedje, een variant op het bekende nummer van Jobim: The dog from Ipanema.

Een tweede herinnering dient zich aan. Aan een ander hoedje. Maar ook aan een – getrouwde – minnaar. Ik leerde hem kennen tijdens een cabaret–programma. Onze verhouding ging voorbij, maar het seizoen daarop waren we weer tot elkaar veroordeeld. Op de planken.

Ook toen was ik ontroostbaar. Maar zoals voordien onze zondige relatie geheim moest blijven, mocht ik ook nu niets laten blijken van het liefdesvuur dat mij nog steeds verteerde.

Wat hadden we samen veel meegemaakt! Wat had hij me niet allemaal toevertrouwd! Zoals, na de zoveelste gepassioneerde vrijpartij, zijn lofzang op een minihoedje. Het had staan pronken op een eigen standaardje in de etalage van een hoeden- en –pettenwinkel in de Utrechtsestraat (inmiddels allang opgedoekt). Iedere keer als mijn geliefde er langs was gekomen, waren hem de tranen van vertedering in de ogen geschoten.

En nu hij, gezeten op mijn bedrand, een sok in de aanslag, verslag deed van die vertedering, weer!

Een angstig voorgevoel had me bekropen. Het was alsof hij meer gaf om dat hoedje dan om mij. In ieder geval om zijn eigen prachtgevoelens.

Op een van de repetities – we waren inmiddels weer collega’s – zaten we tijdens andermans sketch noodgedwongen naast elkaar aan de kant. Woordenloos bood hij me een sigaret aan. Moest je hem zien met dat toegeknepen mondje, die koele wegkijkogen. Nou, mij kreeg hij niet klein!

Na een achteloze rookwolk vroeg ik op zo mondain mogelijke toon, als iemand die met de grootste moeite haar stoet minnaars uit elkaar kan houden: ‘Zeg, was jij dat eigenlijk? Die ooit zo diep ontroerd was door dat hoedje?’


Comments RSS You can leave a response, or trackback from your own site.


Reageer