Logo

Egidius

Verschenen in de Volkskrant, februari 2014

‘Egidius, waer bestu bleven?’ luidt de eerste zin van het alom bekende Egidiuslied, volgens Professor Frits van Oostrom ‘het meest gebloemleesde Nederlandse gedicht’.

Zoals menig toneelschoolleerling leerde ik dit Middelnederlandse rondeau op de Academie voor Dramatische Kunst. Jong geleerd oud gedaan. Teksten die je op jonge leeftijd in je hoofd hebt gestampt, zitten er voor altijd muurvast in.

Wanneer mij wordt verzocht, -soms bied ik mezelf rücksichtslos aan- om op een begrafenis hier, een crematie daar een bevriende ontslapene nog eenmaal in het zonnetje te zetten: ‘nu bestu in den troon verheven, claerre dan der zonnen scijn’, geen spoortje zenuw! Het opzeggen van een gedicht dat ik al jaren kan dromen gaat me gemakkelijker af dan een zelfverzonnen in memoriam. Want daarbij loop je het gevaar een blackout te krijgen of erger nog, vol te schieten. Terwijl dit onwaardige inconveniënt via andermans tekst, (in dit geval ‘een onbekende auteur, misschien Jan Moritoen’) minder gauw de kop opsteekt. ‘Nooit zelf ontroerder zijn dan je publiek!’ leerde ik op die zelfde toneelschool. Het lukt me aardig, al zeg ik het zelf, om met de nodige distantie in mijn warme alt, de blik op oneindig – zo’n beetje richting hemel:‘ verware mijn stede di beneven’-,  sentimentele klippen te omzeilen en toch doel te schieten.

‘De kracht van poëzie’, zoals Ellen Vogel ooit opmerkte na mijn ‘optreden’ op zo’n uitvaartplechtigheid. Hoogstwaarschijnlijk dacht ze stiekem: dat kan ik zelf ietsje beter. En dat is ook zo.

Graag zou ik de tekst uit plusminus 1400 eens vervangen willen zien door verstaanbaar Nederlands, opdat de inhoud voor iedereen begrijpelijk is. Want toen ik op de uitvaart van Theo, de alom geliefde bloemenman van de Westermarkt, de litanie weer eens uit mijn mond had laten rollen, zei na afloop een familielid: ‘Mooi hoor, meid, dat Zuidafrikaans, maar ik snapte er geen hout van.’

Egidius, waer bestu bleven,

Mi lanct na di gheselle mijn,

Du coors die doot du liets mi tleven

Dat was gheselscap goet ende fijn,

Het scheen teen moesten ghestorven sijn.

‘Coors die dood’ betekent niet ‘koos’, want dan kwam je in de middeleeuwen niet in de hemel, maar ‘verkoos’. En de laatste zin van dit eerste couplet kan op twee manieren worden uitgelegd: ‘het zag er naar uit dat we tegelijkertijd zouden sterven’ of ‘een van ons moest sterven’.

Hier volgt de  hertaling van de -doorgaans onvolprezen dichter- Willem Wilmink:

Egidus, waar ben je gebleven?

Ik mis je zo, mijn kameraad.

Jij koos de dood , liet mij het leven.

Je vriendschap was er, vroeg en laat

Maar ‘t moest zo zijn, een van ons gaat.

Nu ben je in ‘t hemelrijk verheven,

Helderder dan de zonneschijn.

Alle vreugd is jou gegeven.

Egidius waar ben je gebleven?

Ik mis je zo, mijn kameraad.

Jij koos de dood, liet mij het leven.

Bid nu voor mij, ik ben verweven

Met deze wereld en zijn kwaad.

Bewaar mijn plaats naast jou nog even.

Ik moet nog zingen in de maat

Tot de dood die elk te wachten staat.

Egidius waar ben je gebleven?

Ik mis je zo mijn kameraad.

Jij koos de dood , liet mij het leven.

Je vriendschap was er, vroeg of laat

Maar ‘t moest zo zijn; een van ons gaat.

Volgens mij kan het mooier. En de hertaling van Maria van Daalen spreekt me nog minder aan.

In de jaren negentig riep Bob Frommé  Paroollezers op een vertaling te maken van een ander ‘uitvaartgedicht’, W.H. Audens ‘Funeral Blues’ (wereldberoemd geworden door de film ‘4 weddings and a funeral’) Hij werd overstelpt met inzendingen.

Wie stuurt of mailt mij een eigentijdse Egidius?


Comments RSS You can leave a response, or trackback from your own site.


Reageer