Logo

Syndroom

Verschenen in de Volkskrant, juni 2015

Veel duistere ziektes, ook wel syndromen genoemd, danken hun naam aan hun ontdekker. Zoals het syndroom van Dupuytren, in 1831 ontdekt door baron Guillaume Dupuytren. Vanwege die adellijke titel en chique Franse naam ontstond het misverstand dat vooral fijnbesnaarde types van goede huize met deze aandoening zouden zijn behept.

Althans, dat verbeeldden zich twee – in de Amsterdamse binnenstad ooit wereldberoemde- heren. Geregeld kruisten zij mijn uitgaanslevenspad. Eerst los van elkaar; later bleken ze elkaar nog te kennen ook. Sterker, de doorgewinterde kroegtijgers hadden zich de zelfde bekakte tongval eigen gemaakt. Ook de manier waarop ze van hun anomalie een deugd maakten leek op elkaar. Te pas en te onpas gaven ze hun mede-cafégangers de vijf (of liever de vier). Met een sterke voorkeur voor de poezelige handjes van jonge vrouwen.

Voor de goede orde: het syndroom van Dupuytren is een aandoening waarbij zich een harde streng bindweefsel in de handpalm vormt onder de ring-, middelvinger of pink. Allengs trekt de desbetreffende vinger krom om zich tenslotte te ruste te leggen zonder ooit nog omhoog te komen. (Hier dringt zich een ordinair grapje op, maar ik maak het niet)

Ik herinner me nog goed hoe ik de eerste keer dat mijn hand werd belaagd, mijn ogen neersloeg, in blozende verwarring vanwege die binnenwaartse vinger. En ja hoor, daar schalde – gescandeerd – de naam van de Franse baron door het café: ‘Du-puy-tren!’ Als welopgevoed meisje zat er weinig anders op dan een empathisch vraagtekengezicht te trekken. Koren op de molen van beide beroepsversierders.

Ingrijpender is een andere Franstalige ziekte: het syndroom van Gilles de la Tourette, venoemd naar de Franse neuroloog, goed geraden: |Gilles de la Tourette. (1857-1904)

Ook hier is sprake van een misverstand. Het syndroom, ‘een verzameling verschijnselen die zich manifesteert als ongecontroleerde spierbewegingen en het maken van geluiden (tics) wordt vaak gebruikt als synoniem voor coprolatie (het uiten van scheld- en schuttingwoorden en vloeken)’.

Maar juist dat laatste spreekt het meest tot de verbeelding en is, hoe onheus ook ten aanzien van patienten die gebukt gaan onder deze ziekte, een dankbaar onderwerp van spot. In sketches wordt het syndroom van Gilles de La Tourette maar al te vaak voorgesteld als een soort verbaal potloodventen.

Ik lijd aan een variant. Vooral op de fiets coproleer ik wat af, maar binnensmonds. Ik maak van mijn gevloek, gescheld en gevuilbek net geen buitenpretje, dus ben ik de enige die versteld staat van al het lelijks dat mijn mond verlaat. Wanneer een toerist weer eens zonder op of om te kijken oversteekt, schrik ik me niet alleen rot van dat stuurloze geslenter, maar ook van mijn eigen ‘Godverdegodvers’ en ‘lazer op naar je eigen land!’ Zie ik een vrouw met een uitstulpend achtersteven in een te krappe broek, dan hoor ik tot mijn afgrijzen mezelf mompelen: ‘ik weet niet of je het weet maar je hebt een dikke reet!’ En geeft een petdragende grijsaard in een open auto me geen voorrang, snerp ik net niet te luid: ‘Hartelijk dank, ouwe lul! ’

Hoe noemen we deze aandoening? Het syndroom van Ostèr?


Comments RSS You can leave a response, or trackback from your own site.


Reageer